Er was eens een klein, geel vogeltje, dat Piep heette. Piep woonde nog bij zijn moeder in het nest, en had zijn naam te danken aan het enige woordje dat hij kende.
Op een dag gebeurde er iets verschrikkelijks. Moeder was weg en terwijl Piep over de rand van het nest naar beneden keek, verloor hij zijn evenwicht en tuimelde naar beneden. Met een doffe plof kwam hij aan op de grond, en na even versuft om zich heen te hebben gekeken begon hij als een klein zielig vogeltje te piepen. Hij miste zijn moeder en de warmte van het nest.